Licht

Ze opent de gordijnen,
hoopt op zonnenschijn en ziet dan de druppels op de ruit.
Terwijl ze zich weer omdraait,
en de kilte op haar neerdaalt, neemt ze een besluit.
En ze laat de kinderen roepen
Om brood en pindakaas
En haar man zoekt naar z'n sokken
Laat 'm zoeken, wie weet wat hij nog vindt.

 

Als iedereen dan weggaat,
de voordeur eind'lijk dichtslaat, is ze weer alleen.
Het huis tot rust gekomen,
Geeft dat haar stoutste dromen, zacht zweven om haar heen.

En dan is daar weer die diepte,
die flonkert en die sist.
En ze wil zo graag verdwijnen,
In de hartstocht, die zij zo heeft gemist.


En ze loopt over de rand nu, houdt haar ogen stevig dicht.
En dan valt ze zacht voorover, laat zich zweven, is zo oogverblindend licht.

 

Ze kijkt door de gordijnen,
naar schimmen die verdwijnen, een handkus door de ruit.
Haar man zal vast nog bellen,
Wat moet ze hem vertellen, of maakt dat niet meer uit?

© Joep v.d. Meer 2006